Home » Artikelen » Vaccinatie en wiegendood

Vaccinatie en wiegendood

Vaccinatie en (chronische) ziekte bij kinderen Vanaf 1 oktober 2011 wordt aan het Rijksvaccinatieprogramma in Nederland de hepatitis B vaccinatie toegevoegd. Redactie Ode
 
Aan deze uitbreiding van het programma is weinig tot geen ruchtbaarheid gegeven. Hoe terecht is dat?
 
Uit een grootschalig Amerikaans onderzoek uitgevoerd onder kinderen in 34 landen bleek dit jaar dat er een direct verband bestaat tussen het aantal prikken en vaccins dat een kind in het eerste levensjaar ontvangt en het sterftecijfer onder baby’s. Volgens de onderzoekers Miller en Goldman blijkt overvaccinatie het grootste probleem te zijn. Ditzelfde patroon werd ook gevonden bij soldaten met Golfoorlogsyndroom. Deze soldaten ontvingen versneld een uitgebreide cocktail van vacccins. Wiegendood Als dat oorzakelijk verband tussen vaccins en babysterfte zo duidelijk is, waarom is het dan niet eerder opgemerkt in Westerse landen?
 
Volgens Miller en Goldman is het antwoord simpelweg dat er andere redenen voor de sterfte werden opgevoerd, waaronder wiegendood. Zij beweren echter dat wiegendood als doodsoorzaak explosief is toegenomen nadat de intensieve vaccinatieprogramma’s zijn gestart. De oorzaak voor wiegendood is nog steeds onduidelijk. Menselijk DNA Niet alleen de combinatie van meerdere vaccins in korte tijd is het probleem. De cocktail van giftige stoffen bevat nog een ander component waarvan de veiligheid niet gegarandeerd is. Voormalig farmaceutisch onderzoekster Helen Ratajczak ontdekte dat er in 23 van de vaccins die (wereldwijd) aan baby’s wordt gegeven, menselijk DNA zit.
 
Het poliovaccin is daarvan een voorbeeld. Dit wordt in menselijk weefsel aangemaakt en aan baby’s vanaf twee maanden toegediend. Het Nederlands vaccinatieprogramma bevat een zo’n vaccin uit foetaal materiaal: het BMR-vaccin. Immuunsysteem Artsen verzekeren ouders dat hun baby’s de meervoudige vaccinaties goed kunnen verdragen. Dat advies staat echter haaks op de biologie. In het algemeen begint een vaccinatieprogramma reeds op de leeftijd van twee maanden.
Dat is echter een kritiek moment in de ontwikkeling van het immuunsysteem. Dit onrijpe systeem krijgt desondanks vaccins te verwerken die in menselijk foetaal weefsel zijn gekweekt; er wordt vreemd weefsel in het lichaam gebracht.
 
Onderzoek aan de universiteit van Geneve toonde aan dat het mogelijk is dat twee eenheden genetisch materiaal informatie met elkaar uitwisselen. Dit proces, transcessie genaamd, betekent dat het mogelijk is dat een virus informatie heeft uitgewisseld met het weefsel waarin het is gekweekt. Niet ieder immuunsysteem kan even goed omgaan met deze genetisch mutaties, waardoor in het slechtste geval chronische ziekte kan optreden. De vier A-aandoeningen Wetenschappers en onderzoekers geloven dat een groot aantal chronische aandoeningen bij kinderen het gevolg kunnen zijn van het inbrengen van vreemd DNA via vaccinatie op zeer jonge leeftijd in een onrijp immuunsysteem.
 
De Amerikaanse kinderarts dr. Kenneth Brock heeft de term ‘de vier A-aandoeningen’ geïntroduceerd voor autisme, ADHD, astma en allergieën. Bij elkaar wordt ongeveer een derde van alle kinderen in Amerika door een van deze vier getroffen. Alle vier deze aandoeningen namen twintig jaar geleden plotseling snel toe in aantal. Die stijging viel samen met de introductie van de BMR II en de waterpokkenvaccinatie, die beide in menselijk foetaal weefsel worden gemaakt.
 
Meer onderzoek
Er is nog geen sluitend bewijs voor het effect van vaccinatie op het neurologische ontwikkeling van kinderen op (zeer) jonge leeftijd. Er is vrijwel geen onderzoek naar gedaan, en nieuw onderzoek wordt niet gestimuleerd. Vaccineren redt levens is de opvatting en daarmee lijkt de kous af.
 
Meer informatie over vaccineren en het Nederlandse vaccinatieprogramma:
Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu - Nederlandse Vereniging Kritisch Prikken: http://www.nvkp.nl Dit artikel is een samenvatting van het hoofdartikel uit Medisch Dossier, uitgave november 2011: www.medischdossier.org Hepatits-B-vaccinatie Vanaf 1 oktober 2011 wordt aan het Rijksvaccinatieprogramma in Nederland de hepatitis B vaccinatie toegevoegd.
De prik gaat behoren tot het standaardschema en zal in één cocktail worden gegeven bij 2, 3, 4 en 11 maanden. Het is onduidelijk of er bijwerkingen van het vaccin bekend zijn, of hoe vaak hepatitis B voorkomt in Nederland bij baby’s. Vanaf 1 oktober 2011 bevat prik 1 DaKTP-HIB-Hep-B (Infanrix-hexa) en prik 2 het 10-valente Pneumokokken (Synflorix). En dat bij 2, 3, 4 en 11 maanden. In totaal gaat dit over 21 vaccinaties binnen 3 maanden en 28 vaccinaties binnen 1 jaar. Foto: Sarah G…, Flickr.com - See more at: http://theoptimist.nl/vaccinatie_en_chronische_ziekte_bij_kinderen/#sthash.K5qtx5bw.dpuf
 
Aanvullend artikel:

Babysterfte
Het onderzoek van Miller en Goldman legt een direct verband bloot tussen de intensiteit van het vaccinatieprogramma van een land en de mortaliteit onder baby’s. In hun 34-landenonderzoek volgt Cuba direct na Amerika. In dat land krijgen baby’s 22 vaccindoseringen voor hun eerste verjaardag en is de mortaliteit 5,82 per 1000 baby’s (zie het kader De slechtste tien).

Daartegenover staat dat Zweden en Japan onder de laagst scorende landen vallen qua babysterfte (respectievelijk 2,75/1000 en 2,79/1000). In die landen zijn slechts 12 doseringen opgenomen in het rijksvaccinatieprogramma: het laagste aantal in dit onderzoek.
Gemiddeld was de babysterfte 3,36/1000 in landen met 12-14 inentingen in hun vaccinatieprogramma, 3,89 bij 15-17 inentingen, 4,28 bij 18-20 inentingen en 5,19 bij 24-26 inentingen1. Ter vergelijking: in Nederland is dit sterftecijfer 4,59/1000 en het aantal vaccinaties 26 in de eerste veertien maanden2.

Het verband met wiegendood
Als het zo is dat vaccins een grote oorzakelijke factor zijn bij babysterfte, met name in de ontwikkelde landen, waarom is dat dan niet eerder opgemerkt? Miller en Goldman nemen aan dat er andere oorzaken – met name wiegendood – zijn opgevoerd. Ook kan het zijn dat overvaccinatie niet altijd de enige oorzaak is, maar mede een rol speelt in de sterfgevallen.
Wiegendood (SIDS) was in de jaren zestig een dermate zeldzaam fenomeen dat het niet eens voorkwam op de lijst van mogelijke oorzaken van sterfte onder zuigelingen. Aan het eind van dat decennium werd een vaccinatieprogramma ingevoerd en kregen Amerikaanse baby’s voor het eerst de prikken voor DKT (difterie, kinkhoest en tetanus), polio en BMR (bof, mazelen, rodehond). In 1969 verscheen er in het medische lexicon een nieuwe oorzaak van babysterfte, genaamd wiegendood. In 1973 trad deze dermate frequent op dat het Amerikaanse National Center for Health Statistics hem opnam en in 1980 was hij in Amerika de meest frequente oorzaak van overlijden onder baby’s van 28 dagen tot een jaar oud3.

Het gemiddelde jaarlijkse aantal gevallen van wiegendood daalde met 8,6 procent tussen 1992 en 2001, na een succesvolle campagne genaamd back to sleep, waarbij baby’s op hun rug te slapen werden gelegd. In Nederland heeft een soortgelijke daling plaatsgevonden sinds 1987, het jaar waarin de rol van buikligging duidelijk werd en ouders en verzorgers daarover konden worden voorgelicht4. Volgens critici echter is die daling enkel en alleen te danken aan een veranderde voorstelling van de cijfers. In diezelfde tijd stegen namelijk andere doodsoorzaken onder zuigelingen, zoals ‘verstikking in bed’, ‘verstikking – overige’ en ‘onbekende en ongedefinieerde oorzaken’. Alleen al het aantal ‘verstikkingen in bed’ steeg met meer dan 11 procent in Amerika. En de toenamen in alle andere categorieën wogen samen ruimschoots op tegen de afname in het aantal gevallen van wiegendood.

Wiegendood wordt omschreven als ‘plotseling, onverwacht overlijden van een zuigeling waarvoor na grondig onderzoek geen verklaring is gevonden’. Specifieke symptomen zijn er niet, maar bij autopsie is vaak stuwing en oedeem in de longen gevonden, evenals ontstoken luchtwegen5. Uit één studie bleek dat bij tweederde van de gevallen van wiegendood het slachtoffertje de DKT-prik had gekregen. Van hen had 6,5 procent de prik minder dan twaalf uur voor overlijden gekregen, 13 procent minder dan vierentwintig uur en 26 procent minder dan drie dagen tevoren.

De onderzoekers concludeerden dat het vaccin ‘mogelijk een algemeen onopgemerkte, belangrijke oorzaak is van wiegendood en vroege kindersterfte, en dat de risico’s van immunisatie groter kunnen zijn dan de potentiële winst’6. Ook andere onderzoekers ontdekten zulke patronen. Bij één onderzoek bleek dat de mortaliteit door wiegendood 7,3 keer zo hoog was in de drie dagen na de DKT-vaccinatie, vergeleken met de periode vanaf dertig dagen daarna7. Precies dezelfde conclusie kwam uit een ander onderzoek, waar het risico naar schatting verachtvoudigde in de eerste drie dagen na vaccinatie.

bron:Marcel Messing